Een boedelbeschrijving uit 1875

Een van de oudste (en meest gefotografeerde) panden in Siebengewald staat bij de grensovergang, op de hoek van de Gochsedijk en de Augustinusweg. In de 18de en 19de eeuw heette het op die hoek “Haagdoren”. Die naam is in onbruik geraakt. Rond 1900 kreeg de herberg de naam “Jagershof” en zo zullen de meesten het nog kennen. De huidige exploitant heeft het omgedoopt tot “De geheime tuin”. De laatste jaren is het een paar keer van eigenaar veranderd. Opvallend is dat er in de 250 jaar daarvoor slechts twee families gewoond hebben: eerst vier generaties Jeurgens en vervolgens vier generaties Van Riswick.

Er valt veel te vertellen over de geschiedenis van dit huis, over de ligging en over de bewoners. Hier willen we ons beperken tot een document, dat inzicht geeft in de omvang van het bedrijf en de rol die het speelde in het dorp. In 1875, na het overlijden van de 39-jarige Gerard Willem Jeurgens, is er door notaris Bloemarts uit Gennep een boedelbeschrijving opgesteld. Gerard Willem liet weduwe Hermina Stoffels achter met twee kinderen, een zoontje van 6 en dochtertje van 1 jaar oud. De familie Jeurgens behoorde rond 1860, 1870 tot de vijf Siebengewaldse "sobere kostwinners", grote boeren die zichzelf konden onderhouden.

De notaris had voor de beschrijving van het grondbezit, de goederen, de vorderingen en de schulden liefst 11 folio-pagina's nodig. Haagdoren blijkt een veelzijdige onderneming te zijn geweest: naast boerderij was het herberg, smederij en winkel in textiel en kruidenierswaren.

De inventaris begint met het grondbezit. De familie had ruim 30 ha verzameld, verdeeld over 50 percelen. Om een idee te geven: het huidige sportpark en de hele Bloemenbuurt, de rest wat verder weg. Ze worden alle 50 beschreven, maar de waarde ervan wordt niet in guldens uitgedrukt. Dat is wel gedaan bij de roerende goederen in het huis en de bijgebouwen. De notaris had voor dat doel de beëdigd taxateur Christiaan Antoon Peeters uit Bergen meegenomen.

Het huis telde ook toen al twee verdiepingen, een zolder en twee kelders, ruim 20 vertrekken met tafels, stoelen, bedden, kasten, spiegels, pendules, glaswerk, een orgeltje, keukengerei, gereedschap in de smederij, alles tot op de gulden nauwkeurig getaxeerd. Op zich weinig spectaculair, afgezien misschien van de f.200 spek in de provisiekamer en de 60 flessen “gewone” Bordeaux-wijn in de bierkelder van nog geen gulden het stuk. Veel bedragen van enkele tientjes, maar alles bij elkaar telt het toch op tot ca. 3400 gulden. Omgerekend naar euro’s van nu moeten we dat met minstens 15 vermenigvuldigen. Vergeleken met de huishoudens van dagloners en bezembinders in 1875 zal het een gigantisch bedrag zijn.

Van de textielwinkel werd de hele voorraad stoffen nagemeten en per soort gewaardeerd. Daar lagen meters dilstof, doekenstof, linnen, katoen, baai, pilo, beddenstof, kleedjesstof, orleans en fransche merinos, satin de laine, paramat, voeringstof en gordijnstof. Keuze genoeg zou je zeggen, en in totaal voor ruim f.500.

Zo weten we ook wat er in die tijd in de kruidenierswinkel lag: tabak, koffie, thee, cichorei, zeep, zout, blei (gedroogde vis), siroop, rozijnen, krenten, “zuiker”, specerijen, kaas, snuif, vijgen, rijst, olijfolie en petroleum. Op het terrein bevond zich ook een stal, met 2 paarden en wat vee, en een schuur met een flinke voorraad graan, aardappelen, hooi en stro, die het totaal aan roerende zaken (het “mobilair actief”) op f.11500 brengen.

De inventaris sluit af met een interessante financiële paragraaf, waarover misschien een volgende keer meer.