Siebengewald als ontginningsdorp

Deel 1, het dorp

Siebengewald is een ontginningsdorp, met lange, rechte straten en zonder een historische dorpskern. De vele oude straatnamen met “dijk” (Pleesedijk, Schenkendijk, Baalsedijk) wijzen er al op dat het vroeger een nat gebied was. Op oude kaarten wordt het aangeduid als Leege (= lage) Heide, die slechts geschikt was om er schapen op te laten grazen. Deze kaarten laten ook enkele vroege, kleinschalige ontginningen zien, in de vorm van boerderijen met omliggende akkers. Bijvoorbeeld de Flieray en de Vrij zijn oude boerderijcomplexen die al vroeg in bezit waren van de Heren van Afferden op kasteel Bleijenbeek. Ook de Groote Horst is zo’n oude boerderij, op Afferds gebied gelegen maar in leen gegeven aan het klooster de Gaesdonck.

Links fragment van de Tranchotkaart (1805-1820), een Frans initiatief, met in de rode ellipsen linksboven de Vrij, daarnaast de Flieray, daaronder de Groote Horst.

Rechts fragment van de Landrol, met naam, grootte in ‘morgen’ en ‘roeden’.
Eerste regel: Geret Herre van Broick 10 morgen 23 roeden 3 voet.
1 morgen = 6 hont = 600 roeden = 8516 m2,
1 roede = 12 voet = ca. 3,70 m.

Op deze kaart is met enige fantasie ook nog het restant van een andere, grootschalige ontginning te zien. In de 14de eeuw is een poging gedaan het heide- en moerasgebied dat zich vanaf de Flieray uitstrekt in zuid-oostelijke richting (Baal, Twisteden) droog te leggen en geschikt te maken voor landbouw. De Hertog van Gelre gaf Diederik van der Straaten, Heer van Hertefeld te Weeze, toestemming dit project uit te voeren. Deze ontginning is in 1350 beschreven op lange perkamentrollen, die nog aanwezig zijn in de archieven van de kloosters Gaesdonck en Graefenthal en van Slot Wissen bij Weeze.

Literatuur: Dieter Kastner, Die Gocher Landrolle, Ein Landerschließungsprojekt des 14. Jahrhundert.
Schriftenreihe des Kreises Kleve Band 6. Kleve 1988.

Aan deze ontginning heeft Siebengewald minstens twee dingen te danken: een min of meer evenwijdig stratenpatroon (Gochsedijk-Processieweg-Boterdijk-Flierayseweg), en een tot 1817 voortdurende verbinding met Weeze. De ontginning vond plaats vanaf de iets hoger gelegen Pleesedijk (nu Augustinusweg), en in het verlengde daarvan de Hülmerdeich. In de richting van de pijlen werden lange percelen (‘slagen’) uitgemeten, die toebedeeld werden aan omwonende boeren, de kloosters en de notabelen uit de buurt.
Deze richting is in het latere stratenpatroon terug te zien. De perkamentrollen bevatten een lijst van deze slagen, met de naam van degene die het toebedeeld krijgt, de grootte en soms ook de breedte. Hieruit is af te leiden dat het enorm langgerekte percelen geweest moeten zijn: een kilometer lang bij een breedte van 20 tot 80 meter. Tussen de Flieray en de Gaesdonck werden 30 slagen uitgegeven.

Eigenaar van de eerste slagen, naast de Flieray, werd Willem Greif, die op het naastgelegen huis Terpoorten (nu een boerderij net over de grens in Hassum) woonde. Uit de Greifse slagen, de Greifse heide, ontstond later de naam Kreeftenheide.
Uit het kaartje hierboven is ook op te maken dat deze vroege ontginning niet tot blijvend resultaat heeft geleid. Door gebrekkige afwatering is het gebied weer vernat. Van lange akkers is geen sprake meer, in 1800 reikte de heide tot vlak aan de dijk, de Augustinusweg.

Rechts huis Terpoorten in 1935. Door overerving kwam het huis in bezit van de grafelijke familie van Loë op Slot Wissen. Het is in de oorlog vernield en niet weer opgebouwd.

Begin twintigste eeuw vindt een volgende ontginningsgolf plaats. Een opvallend groot aantal boerderijtjes in het toenmalige buitengebied (Verl. Boterdijk, Nieuweweg, Kendelweg, Ottenskamp) is tussen 1900 en 1920 gesticht. Dat zijn vaak kleinschalige ontginningen, door de families zelf ter hand genomen, buiten de grootschalige machinale projecten die door ontwikkelingsmaatschappijen uitgevoerd werden, zoals Ceres (in het Afferds ven), of Holland (o.a. bij het Nieuw Erf 1920-1927), of de Nederlandse Ontginningsmaatschappij (1920-1921) waarin (via koopman L. Prins) bezittingen van Bleijenbeek ondergebracht waren.
Veel grond van de familie Otten werd via de zakenman Laverge ondergebracht bij de “Maatschappij tot exploitatie onroerende goederen Siebengewald” (1900-1913). Deze maatschappij verkoopt vnl. percelen hakhout en liet de ontginning over aan de kopers. Het zelf-ontginnen werd in die tijd gestimuleerd door belastingmaatregelen: het nieuwe bezit was voor een periode van 8 jaar vrij van extra belastingen.
Kopers waren aanvankelijk voornamelijk dagloners en kleine boeren. Zij werkten op de paar grotere boerderijen of voor grootgrondbezitters. Traditioneel waren dat de adellijke families uit de buurt, als Von und zu Hoensbroeck (Bleijenbeek) en Van Loë (Wissen, Terporten), het klooster de Gaesdonck, de familie Otten, rentmeesters van Huis Heijen, en rijke Gochse families als Lax en Van den Bosch.
Maar kopers waren ook arbeiders die werk vonden bij de opkomende industrie in plaatsen als Goch en Weeze en er kleinschalig bij boerden. Velen hadden dus wel hun huis en tuin in eigendom, al staken ze zich daarvoor behoorlijk in de schulden, met het onroerend goed als onderpand.

In onze streek (Bergen, Gennep, Ottersum) was voor de oorlog ook de “Vereniging ter bevordering van de verkrijging van onroerend goed door landarbeiders” actief. Gemeente en kerk werkten hierin samen om kredieten te regelen voor hen die een huis wilden bouwen of kopen. Zie bijvoorbeeld Gochsedijk 52.
De Afferdse woningbouwvereniging Cosmas&Damianus bouwde in Siebengewald in 1920 enkele huizen aan de Processieweg, maar werd pas na de oorlog op grotere schaal ingeschakeld bij de woningbouw in het dorp.
Deze groei in het aantal huizen en inwoners leidde ook tot een groter aandeel middenstanders in dezelfde periode: bakkers, schoenmakers, kleermakers, herbergiers. Later komen hier nog de timmerlieden en stucadoors bij. Vooral herbergier lijkt een lucratief beroep. Uit het kadaster blijkt dat verscheidene van deze families veel grond verwierven.

Hoe hebben huizen eruit gezien? Tekeningen van Jan de Beijer uit de 18de eeuw laten dorpsgezichten zien van Hassum en Hommersum. Boerderijen aan de Augustinusweg zijn misschien hiermee te vergelijken. Als bijvoorbeeld de Gaesdonck een boerderij bouwde werd er een pannenbakkerij opgezet om de stenen en pannen te vervaardigen.
Maar het is ook beschreven dat door de bevolkingstoename na 1800 de levensstandaard achteruit gaat, zodat we bij afgelegen daglonerswoningen op de heide eerder moeten denken aan hutten dan aan huizen. Met lemen muren en een stro- of plaggendak.
Bij de Kreeftenheide, rond 1800 ook herkenbaar als buurtje, verwachten we eerder dat soort woonplaatsen. In het eerste kadaster, 1830-1840, blijken de meeste bewoners wel eigenaar te zijn van hun woning en over 50 tot 150 are bouwland te beschikken. Het kadaster drukt de waarde van het land ook uit in een “belastbaar inkomen van ieder perceel”, wat een grondslag voor de belasting zal zijn. Bij de bewoners van de Kreeftenheide, in 1844, varieert het totaalbedrag over hun bezittingen van 30 cent tot 10 gulden, met één uitschieter van 25 gulden. Ter vergelijking: aan de Augustinusweg zijn bedragen boven de 200 gulden geen uitzondering.
Hierbij moeten we aantekenen dat we minder zicht hebben op de bewoners die geen eigenaar waren van hun huis en land en daarom niet in het kadaster voorkomen. Uit een bevolkingsregister is moeilijker op te maken waar en hoe deze mensen leefden.