Kindersterfte in Siebengewald

Bij het bekijken van de gezinnen in onze boeken moet het opvallen hoe hoog de kindersterfte was in de 19de eeuw. In onderstaande plaatjes is geprobeerd de omvang ervan inzichtelijk te maken. De getallen hebben betrekking op een klein dorp, met vrij kleine getallen, maar het beeld zal in grotere plaatsen niet anders zijn.
In de eerste grafiek is uitgezet wat de leeftijd was van personen die begraven zijn in Siebengewald tussen 1864 en 1873. Horizontaal staat de leeftijd, van 0 tot 90, in 30 kolommen van drie jaar breed. De eerste kolom geeft dus aan hoeveel kinderen er stierven van drie jaar of jonger, tweede kolom van vier t/m zes, enzovoort.
De eerste kolom betrof 36% van alle begrafenissen, en 19% van alle geboorten in die 10 jaar. Eén op de vijf kinderen overleed als baby of peuter.

Vijf en twintig jaar later is dat beeld niet wezenlijk anders. De aantallen zijn toegenomen door de bevolkingsgroei, maar de grafiek en de percentages zijn vrijwel onveranderd.
De gemiddelde leeftijd bij overlijden in 1864-1873 is 28 jaar. De plaatjes maken echter duidelijk dat het niet zinvol is van een gemiddelde levensverwachting te spreken, daarvoor is de verdeling veel te ongelijk. Vrijwel niemand stierf op zijn 28ste. Als iemand eenmaal zijn kleutertijd overleefd had was een leeftijd van 60 tot 70 jaar geen uitzondering.

In het plaatje links hebben we ons beperkt tot de 48 sterfgevallen in de periode 1864-1873 van mensen waarvan het kerkboek een partner vermeldt. De leeftijden varieren van 26 tot 90 jaar, met een gemiddelde van 60,5 jaar. Een krant zou nu kunnen concluderen dat trouwen gunstig is om oud te worden. Maar het is waarschijnlijker andersom: je moest wel gezond zijn om de trouw-leeftijd te bereiken.

Veertig jaar later blijkt er enige verbetering, niet zozeer uit de grafiek maar wel uit de cijfers. De eerste kolom is nog steeds verreweg de grootste, maar dat wordt vooral veroorzaakt door de toename in het aantal geboorten. Het percentage van het aantal baby’s dat overlijdt is gehalveerd. Het aantal sterfgevallen groeit minder hard dan het aantal geboorten, wat wijst op een betere gezondheidssituatie.

Zoals te verwachten is, verandert het beeld na de oorlog vrij drastisch. De baby-sterfte is dan teruggebracht tot 3% van het aantal geboorten. De hygiene is verbeterd en de zuigelingenzorg is beter georganiseerd. De eerste piek is nog net de hoogste, maar dat is te verklaren uit het relatief grote aantal geboorten ten opzichte van het aantal sterfgevallen. De hoogste pieken bij de volwassen overledenen liggen nu rond de 70-75 jaar. De gemiddelde leeftijd van de 93 overledenen met een partner over deze periode is 70 jaar. Dat is “slechts” tien jaar meer dan in de periode 1890-1899.

Aanleiding voor dit verhaal was de op TV gehoorde uitspraak: “mensen werden vroeger niet zo oud, gemiddeld een jaar of veertig”.
Dit klinkt plausibel, maar is in meerdere opzichten onjuist. De gemiddelde leeftijd bij overlijden is een heel slechte maat om uit te drukken hoe oud mensen werden. En het getal 40 klopt ook niet. Niet als gemiddelde, en niet als frequente leeftijd bij overlijden.
De uitspraak suggereert dat de meeste mensen zo rond de 40 stierven, met enige spreiding naar wat jonger en wat ouder. De getallen laten echter zien dat dat beeld niet klopt.

Venloosch weekblad 14-1-1888

Eén van de vroegere vroedvrouwen die we bij naam kennen is Johanna Ulijn, *15-7-1826 te Lexmonde.
Zij trad wel op als aangever van een geborene als er geen vader voorhanden was om die taak uit te voeren.
Op 18-6-1855 trouwde zij met Johan Frederik Vonken (zie Beltweg 1x) en werd vervolgens voorouder van vrij veel Siebengewalders.