Siebengewald als ontginningsdorp
Deel 2, het noord-westelijk buitengebied
Siebengewald is een ontginningsdorp, met lange, rechte straten en zonder een historische dorpskern. De vele oude straatnamen met “dijk” (Pleesedijk, Schenkendijk, Baalsedijk) wijzen er al op dat het vroeger een nat gebied was. Op oude kaarten wordt het noord-westelijk deel van Siebengewald aangeduid als Leege (= lage) Heide, die slechts geschikt was om er schapen op te laten grazen.
In het gebied dat in dit deel besproken wordt kunnen we drie perioden van ontginning onderscheiden.
De Vrij en de Flieray zijn zo oud dat we hun ontstaan niet aan een jaartal kunnen verbinden. De ontwatering en verdeling van het Sevengewaet in 1326 begint bij de Flieray, wat toen kennelijk al een ontginning was. De akkers hebben een willekeurige vorm en zijn waarschijnlijk ontstaan rond oude boerderijen. Uit oude grensbeschrijvingen kunnen we afleiden dat ze al vóór 1400 in Afferds bezit gekomen moeten zijn.
Links de Tranchot-kaart, 1805-1817, met de “Afferden Heyde” in het grensgebied bij Hassum en Hommersum.
In 1843, op de topografische kaart rechts, is hetzelfde gebied opgedeeld in rechthoekige percelen.
De heide noordwestelijk hiervan, tussen de Maasduinen bij Afferden en de grens bij Hassum en Hommersum, is begin 19de eeuw in cultuur gebracht. Op de Tranchotkaart uit de Franse tijd is het nog heide, maar op eerste kadasterkaart die 1844 verscheen is het opgedeeld in een groot aantal rechthoekige percelen. Meestal in bezit van Pruisische boeren uit Hassum en Hommersum en gebruikt voor dennenaanplant. Geleidelijk aan onstaan er bij de ontginningen ook huizen, of hutten.
Zo’n 20 ha langs de noordkant van de Vrij en langs de Nieuweweg behoorde toe aan de Gochse fabrikantenfamilie Van den Bosch. De toenmalige eigenaresse Catharina van den Bosch heeft rond 1865-1875 deze grond met gekapte dennen laten verdelen in kleinere percelen en verkocht aan landarbeiders. Dit project, dat in de tijd vrijwel samenvalt met de eerste vestiging van de Groesbeekse bezembinders op de Hei wordt in een apart artikel beschreven.
Rond 1900 is het door de inzet van machines rendabel om een volgend heidegebied te ontwateren en geschikt te maken voor landbouw: de Ottenskamp en omgeving.
In de Franse tijd was het ook “Leege Heide”, laag-gelegen, natte heide, met aan de rand een paar oude ontginningen als de Kleine Horst, de Lakei en de Flieray.
Op de kaart links, uit 1890, zien we al sporen van ontginning, rechthoekige percelen met voornamelijk dennenaanplant. Aan de Koekoek zijn al meer boerderijen verschenen, maar het midden van de kaart is nog onbewoond.
Dat verandert na 1910, zie de kaart rechts. Zo rond 1915 worden veel percelen verkocht langs de Pannenweg, de Ottenskamp en de Verl.Boterdijk. Deze ontginning onderscheidde zich van de oudere projecten door grotere percelen. Het is ook de tijd van de introductie van kunstmest, die de opbrengst van de boerenbedrijven verhoogde.
Het verloop onder de bewoners is er dan ook veel minder, verscheidene boerderijen zijn tientallen jaren in het bezit van de oorspronkelijke families gebleven.
Links de situatie in 1954, met nog een groot aantal veldwegen, waarvan er veel door de ruilverkaveling weer verdwenen zijn.
De boerderijen binnen de groene ellips zijn allemaal rond 1913-1915 gesticht door enkele verwante families uit het Ven bij Ottersum.
Het is daarom niet verwonderlijk dat soms gedacht wordt dat de naam Ottenskamp afgeleid is van Ottersum. Het gaat hier echter om percelen die eerder (tot 1908) eigendom waren van de familie Otten, rentmeesters (vanaf 1914 eigenaren) van kasteel Heijen.