Ontginning langs de grens


In dit stuk is gebruik gemaakt van een publicatie van Johannes Schabrücker, “die Hülmer Heide”, uit 1966. Deze is ook opgenomen in de “Chronik der Gemeinde Hülm-Helsum”, in 2013 uitgegeven door het Schützengilde Kosmas und Damian ter gelegenheid van hun 300-jarig bestaan.

Grootschalige ontginningen vonden er plaats in het gebied zuidelijk van de Horsterbeek.
Op oude kaarten is te zien dat zich achter de Maasduinen, langs beide zijden van de grens, een groot vennengebied uitstrekte. Hier werd in het verleden turf gestoken, maar verder was er niet veel mee te beginnen.
Op de kaart rechts (Lotter, 1780) wordt het het Gaasdoncker of Twisteder Veen genoemd, naar de plaatsen aan beide uiteinden. Vanaf 1326 is vergeefs geprobeerd het gebied te ontwateren en te cultiveren. Dat lukte pas na 1900, toen er grote machines beschikbaar waren.

Uit de kadasterkaart links, van ca. 1840, blijkt dat het Nederlandse deel vanaf de Horsterbeek (rode pijl) nog steeds leeg was, afgezien van de Baalsedijk (groene pijl). Zuidelijk van de Eckelt lag het Afferds ven, waar nu de Lackbar is. De lijn door het Afferds ven (blauwe pijl) is de grens tussen Afferden en Bergen.
Aan de Pruisische kant was het niet anders, de Hülmer Heide was nog onbewoond. De eerste straten aan de zuidkant van de Gochsedijk, het begin van de Beekheuvel en de Callunastraat, liepen ook niet verder dan de Horsterbeek.

In 1900 meldde zich de ontginningsmaatschappij Ceres bij de gemeente Bergen en pachtte bij het Afferds ven 200 ha moerassig land, voor een periode van 50 jaar, voor f. 400,- per jaar.
Op de hoek van de Eckelt, aan wat nu de Ceresweg is, werden de eerste gebouwen opgericht , bij de “Alde Bouw”. Nu staan er vijf huizen, waaronder de Cereshoeve. Al in 1908 werd de grond met winst doorverpacht aan Peter Nagelschmitz, die jaarlijks f. 3500,- betaalde. Nagelschmitz pachtte er nog 430 ha bij, richting de Lakei. De naam Nagelschmitz komen we ook tegen als grondeigenaar bij Siebengewald, zie Gochsedijk 1-3.

Het zware werk werd gedaan door stoommachines. Het bevolkingsregister van Siebengewald vermeldt rond 1915 een Joseph P. Boel uit Hulst in Zeeland met als beroep “machinist”.
Twee stoommachines aan overliggende zijdes van een perceel trokken aan lange kabels een zgn. kiep-ploeg heen en weer. Zo’n ploeg kon twee kanten op werken, hoefde niet gedraaid te worden. Hiermee kon diep geploegd worden.

Er waren ook lokale middenstanders die geld investeerden in deze woeste gronden, zoals de broers Anton en Franz Terörde uit Goch, resp. bakker en zaalhouder. Rond 1910 kochten zij 57 ha van de gemeente Afferden, gelegen in Siebengewald tussen de Horsterbeek en de grens. Aan de Duitse kant verwierven ze ook nog 250 ha. In 1920 verkopen zij alles aan de broers Pieter en Gerrit Kramer, die het onderbrengen in de NV “Maatschappij tot exploitatie van de landerijen te Erica en omgeving”. Op de Hülmer Heide herinneren de boerderijen Gross en Klein Erika aan deze firma. Zie ook bij Beekheuvel 6 en Gochsedijk 2.
Pieter Kramer was ook betrokken bij de NV Landbouwmaatschappij Holland, die in 1925 570 ha in bezit had in de gemeente Bergen, waaronder de pacht- en eigendomsgronden van Peter Nagelschmitz. Het bezit strekte zich uit tot aan de grens met Heijen, het Nieuw Erf.
Uit deze foto uit Hülm, 1935, blijkt dat er toen nog stoommachines in bedrijf waren, ofschoon de verbrandingsmotor al lang zijn intrede had gedaan.

Veel Siebengewalders zullen gewerkt hebben voor deze ontginningsmaatschappijen, en later bij de boerenbedrijven. Op deze foto zouden staan, v.l.n.r.: Gerard ‘Celle’ Janssen, Willie Thissen (Hülm), Hannes Martens (Goch), Jan Cuppen, ?, Hen vd Woldenberg, Wiel Blenkers (Hülm), Jacob Poen, Toon ‘den Hoed’ Kersten.