De grens en de douane

Na de tijd van Napoleon werd de grens bij Siebengewald een landsgrens, waardoor men te maken kreeg met grenscontrole op personen- en goederenverkeer. Door verschillende vormen van belasting op gebruiksgoederen in Nederland en in Pruisen ontstonden er prijsverschillen en heffingen op in- en uitvoer. Opvallend genoeg was zout een van de eerste producten waarvan de handel binnen Pruisen en over de grens gereguleerd werd.

De eerste grenskantoren waar men in onze regio goederen kon laten inklaren verrezen aan de weg van Well naar Weeze en aan de weg van Gennep naar Kleef. Maar de grens en het grensverkeer bij Siebengewald moesten natuurlijk wel gecontroleerd worden, dus de commiezen deden hun intrede in het dorp.

Natuurlijk waren er ook al meteen mensen die probeerden de controles te omzeilen. Er ontstond een nieuw verdienmodel voor de arme grensbewoners: het smokkelen. Volgens schattingen waren er in de 19de eeuw in Noord-Limburg duizenden personen actief in de smokkelarij. Dit vroeg om een tegenreactie van de douane. Zo ontwikkelde zich het kat-en-muisspel tussen smokkelaars en commiezen.

De regel was dat douaneambtenaren buiten hun eigen woonplaats gestationeerd werden, om ze niet in gewetensnood te brengen als ze een familielid of vriend zouden moeten aanhouden. Maar wat nog geen familie was kon het wel worden. In 1843 vinden we het huwelijk tussen grensbewoonster Johanna Ingenbleek en de commies Piet Vermeeren, afkomstig uit Itteren. Dat had vervolgens voor het prille gezin wel overplaatsing naar Blerick tot gevolg.
Vanaf ca. 1870 (de tijd van Bismarck) werd het smokkelen omvangrijker en beter georganiseerd. Vooral de Duitse regering vond het belangrijk strenger te controleren. Als we afgaan op de verhalen lijkt het er op dat er meer van west naar oost gesmokkeld werd dan in omgekeerde richting. Al gauw bleek dat de grensambtenaren meer en betere bewapening nodig hadden. Er werden Duitse ex-soldaten als Zollbeamten ingezet, die niet aarzelden met scherp te schieten, en zo riskeerden de smokkelaars toch wel hun leven. Tussen 1900 en 1960 zijn ter hoogte van Siebengewald zeker 15 smokkelaars aangeschoten, waarvan drie met dodelijke afloop. Ook een Siebengewaldse commies werd kort na de oorlog doodgeschoten, maar dat was door een Duitse gangster bij een controle. Zelfs nog in 1963 schoten Duitse Zöllner nog een stroper aan, die zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht werd.

Pas in 1883 werd in Siebengewald het eerste douane-kantoor betrokken. Niet direct aan de grensovergang, maar in de eerste bocht van de Gochsedijk, op de plaats van het huidige Gochsedijk 154. Daar zetelde de Ontvanger der Invoerrechten. Het kantoor heeft tot WO2 dienst gedaan, en is in de oorlog ten onder gegaan.
Dan, in 1905 werd ook aan Duitse zijde een volwaardig douanekantoor opgericht. De Gaesdonck bouwde dit en verhuurde het aan de Duitse Zoll. Tot die tijd kwam het voor dat boeren uit Hülm, die in de zomer hun vee langs de Maas lieten grazen, uren onderweg waren om het via de grensovergang bij Wellsche hut weer legaal naar huis te halen.

De Nederlandse commiezen controleerden bij Café Ingenbleek, dat (tot 1945) precies tegenover het Duitse grenskantoor stond. In die tijd waren er twee slagbomen, één op de weg naar Goch, net voor het Kendelbruggetje, en één direct rechts op de weg naar Hülm. Na de oorlog werd dit gewijzigd in een enkele slagboom op de huidige overgang, waarbij er aanvankelijk slechts een houten wachthuisje stond op de hoek van de Gochsedijk en Augustinusweg. Dit werd eerst vervangen door een grotere houten keet, en eind 50-er jaren bouwde aannemersbedrijf Ponjée er een stenen kantoor dat verhuurd werd aan de Domeinen. Totdat het Schengen-akkoord in 1995 de grens praktisch geheel opende.