Tractaatgronden

Het begrip “tractaatgronden” is al oud. Na het vaststellen van de grens van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden in 1815-1817 kwam er een regeling die de rechten beschreef van boeren die door de grens afgesneden raakten van hun land. In de praktijk betrof het vooral Pruisische (en Hannoverse) boeren waarvan grond in Nederland kwam te liggen. Het tractaat uit 1824 regelde dat zij ongehinderd toegang tot hun land hadden en producten vrij over de grens mochten vervoeren. Later gold dit ook voor boeren die in de loop van de tijd land verwierven aan de andere kant van de grens, binnen een bepaalde afstand. Er waren niet alleen rechten, ook plichten. Een voorwaarde was wel dat men de commiezen toegang moest geven tot zijn land en erf, en dat er niet te dicht op de grens gebouwd mocht worden. Dit om het vrije zicht op het grensverkeer niet te belemmeren.

Dit ging kennelijk tientallen jaren lang goed, tot ca. 1950. Na de Tweede Wereldoorlog werd het begrip “tractaatgrond” opeens weer actueel. Oorzaak was het besluit van de Nederlandse regering om als compensatie voor geleden oorlogsschade vermogen en bezittingen van Duitsers in Nederland verbeurd te verklaren. Een bijkomend argument was dat de grond nodig was om Nederland van voldoende voedsel te voorzien. Bij Siebengewald betrof het vooral landeigenaren uit Hassum en Hommersum die grond langs de Grensweg en Beltweg kwijtraakten, en inwoners van Hülm die aan de Beekheuvel bezittingen hadden.

De geconfisqueerde grond werd verkocht aan beginnende Nederlandse boeren, waarvoor zogenaamde Wederopbouw-boerderijen gebouwd werden. Dit was het geval voor de Beltweg 11, 13, 15, 23, 25 en voor Nieuweweg 83. Dit leidde soms tot gecompliceerde situaties, omdat een groot aantal betrokkenen aan Duitse kant protest aantekende tegen de Nederlandse tractaatschending. Hoewel zij van de Duitse overheid enige financiële compensatie konden krijgen, betekende het verlies van hun land vaak een bedreiging voor hun bestaan als boer. Uit krantenberichten blijkt dat een protest succes kon hebben om twee redenen:

  • Sommige eigenaren bleken na de oorlog niet de Duitse nationaliteit te hebben maar bijvoorbeeld stateloos geworden te zijn. Van hen konden de bezittingen niet geconfisqueerd worden.
  • Anderen slaagden er in aan te tonen dat ze in de oorlog op een of andere manier aan de goede kant gestaan hadden, Nederlanders geholpen hadden o.i.d. Op grond van een “ontvijandingsverklaring” raakten ze wel hun grond kwijt, maar ontvingen ze daarvoor alsnog de verkoopprijs.
Aan Duitse zijde drongen getroffen boeren er bij hun regering op aan de Nederlandse maatregel ongedaan te laten maken. Ook werd voorgesteld grond van Nederlandse boeren in Duitsland in gebruik te nemen.
De Duitse regering liet de boeren weten dat ze niet in een positie was om de druk op Nederland te verhogen. Bovendien waren de betreffende gronden al doorverkocht aan Nederlandse boeren. Een onteigening van dit bezit om het terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaren had daarom juridisch gezien weinig kans van slagen.
Bijgaande krantenknipsels geven een indruk van de impact die de onteigening had aan beide kanten van de grens.

Het verbod om pal op de grens te bouwen is kennelijk niet lang gehandhaafd. Het oudste huis dat vlak aan de Grensweg ligt is het huidige nr. 21, waarvan de voorloper al in 1834 gesticht werd. In 1842 volgde nr. 13, in 1856 nr. 17 enzovoort.
De grensbewaking beperkte zich ook niet tot de grens alleen, maar besloeg een brede strook aan weerszijden ervan. De precieze ligging van de huizen (destijds eerder hutten) was daarom minder belangrijk.